DE GROTE ITALIANEN.

Een paar jaar na mijn ontdekking van het medium Film begin jaren 70 van de vorige eeuw maakte ik kennis met de Italiaanse film van de jaren zeventig. Mijn wereld zou nooit meer dezelfde zijn.
Als jonge filmgek-in-de-dop bewonderde ik de Italiaanse film al, vooral de kort na de Tweede Wereldoorlog, uit nood geboren  filmstroming neorealisme. Na het failliet van het Italiaans fascisme (dat in films vaak de gestalte had van grote epische verhalen over de gloriedagen van het Romeinse rijk maar ook society drama’s, de zogenaamde ‘telefoni bianchi’-films omdat er altijd wel ergens in een scène een witte telefoon stond als voorbeeld van luxe) en vanwege de door oorlogsomstandigheden deplorabele staat van de filmstudio’s zagen de filmmakers gedwongen de straat op te gaan en alledaagse problemen van gewone mensen te verfilmen. Ze voelden zich geroepen om het verhaal van het berooide Italië te doen. Voormannen van het neorealisme waren:

Luchino Visconti (met films als OSSESSIONE (1943) en LA TERRA TREMA, ‘De Aarde beeft’, 1948),

Vittorio de Sica  (SCIUSCIA oftewel in NL jaren veertig taal ‘Schoenpoetsertjes’, 1946, ‘LADRI DI BICICLETTE, ‘Fietsendieven’, 1948)
en
Roberto Rossellini (ROME, OPEN STAD, STROMBOLI, VIAGGIO IN ITALIA, ‘Reis door Italië’).



In Amsterdam werd tijdens mijn studie in de filmhuizen een Cinemathema-manifestatie met een overzicht van neorealistische films vertoond: ik zat die maand, november 1980, vaak in de toen nog krakkemikkige Amsterdamse filmhuiszaaltjes naar deels niet-ondertitelde Italiaanse films te kijken.

Al snel ging het mij echter meer om de nieuwe Italiaanse films die in die tijd gemaakt werden. Een nakomertje van het neo-realisme, Federico Fellini, schonk ons toen een paar van zijn beste films;

in 1973 AMARCORD een sterk geromantiseerd en gemythologiseerd beeld van zijn jeugd in de badplaats Rimini,

en vooral IL CASANOVA DI FELLINI (1976), een huiveringwekkende visie op de leegheid in het bestaan van de man die talloze vrouwen verleidt maar de liefde niet kent.

Visconti maakte DEATH IN VENICE (1971), een stijlvolle verfilming van de novelle van Thomas Mann over een stervend componist in het Venetië van de Belle Epoque.

Twee jaar eerder had hij zijn meesterwerk LA CADUTA DEGLI DEI (ook wel bekend als GÖTTERDÄMMERUNG en THE DAMNED) gemaakt, over een rijke Duitse familie van staalbaronnen die ten onder gaat bij de opkomst van Hitler. In beide films speelde Dirk Bogarde de sterren van de hemel.

Maar er waren plenty nieuwe namen. Bernardo Bertolucci scoorde tussen 1970 en 1976 een home run met vier meesterwerken achter elkaar: DE STRATEGIE VAN DE SPIN, IL CONFORMISTA, LAST TANGO IN PARIS en zijn magnum opus NOVECENTO. Zijn films waren van wezenlijke invloed op wat er aan het eind van de jaren zeventig allemaal in Hollywood gebeurde.

Een andere naam die ik wil noemen is die van Ettore Scola, een filmmaker die uit de hoek van de commedia all’ italiana kwam en ons in de jaren 70 verrijkte met een reeks prachtfilms, onder andere C’ERAVAMO TANTO AMATI (‘We hadden elkaar zo lief’ 1974; een bitterzoete terugblik op de vriendschap van drie mannen),

BRUTTI SPORCHI E CATTIVI (‘Lelijk, vuil en gemeen’ uit 1976), een tragikomische satire op het leven in de toen nog bestaande favela’s van Rome)

en het meesterstuk UNA GIORNATA PARTICOLARE (‘Een Biezondere  – zo schreef je dat toen – Dag’ 1977), een subtiel drama over het dagelijks leven tijdens het Italiaans fascisme met de onnavolgbare Sophia Loren en Marcello Mastroianni als een wel heel ongebruikelijk paar.

En zo zijn er nog veel meer namen te noemen, laat ik me beperken tot Francesco Rosi met zijn politieke misdaadfilms als IL CASO MATTEI (1972) en

CADAVERI ECCELLENTI (1976) maar ook zijn zeer stijlvaste drama over drie broers die hun moeder gaan begraven: TRE FRATELLI (1981).

Verder mag natuurlijk niet ongenoemd blijven Pier Paolo Pasolini die in de jaren 70 de wereld schokte met zijn Trilogie van het Leven: boertige verfilmingen van de Canterbury Tales,  Decamerone en De Vertellingen van 1001 Nacht. Net als Theo van Gogh werd ook bij Pasolini zijn laatste film hem noodlottig: na zijn gruwelijke verfilming van seksuele en gewelddadige excessen (losjes geïnspireerd door de 120 Dagen van Sodom van markies de Sade) ten tijde van de Salò-republiek aan het eind van WO II werd hij in november 1975 achter het strand van de Romeinse badplaats Ostia vermoord.

De Italiaanse film van de jaren 70 toonde mij hoe film naast entertainment ook kunst kon zijn en zelfs zinnige dingen zeggen over onze geschiedenis en de wereld waarin wij leven, geschreven door de beste scenaristen (Cesare Zavattini, Suso Cecchi D’Amico), in beeld gebracht door geweldige cameramensen als Vittorio Storaro en Giuseppe Rotunno, met prachtige klassieke muziek van Mahler maar ook speciaal voor de films gecomponeerd werk van Ennio Morricone, Nino Rota, Armando Trovajoli en Piero Piccioni. Grazie a Tutti!

Egbert Barten, zomer 2019.